Newsletter   |   Contact  

Allemaal Liberaal!  De burger als beursgenoteerd bedrijf.

Kijk naar de VSA: daar zijn tienduizenden tot honderdduizenden gewone burgers genadeloos getroffen in hun dagelijks bestaan: baan kwijt, huis kwijt, schulden voor de rest van het leven, gezondheid op de helling, onzekere toekomst voor de kinderen. Dat is wat anders dan een extra procentje rente mislopen in Helsinki. Ondanks dat totale gebrek aan perspectief, blijft het protest uit. En blijven vooral alternatieven uit. De reden? Zowat iedereen, inclusief Jan-met-de-Pet en Piet-met-de-ArmaniJeans, is doortrokken van het liberale gedachtegoed dat zichzelf tot de natuurlijke – en dus niet te contesteren - maatschappelijke orde heeft uitgeroepen en waarmee we sinds de val van de Sovjetunie worden gehersenspoeld.

EEN STELLING

Mijn stelling luidt als volgt: de vrijemarkteconomie, dat het statuut heeft van een gouden kalf, evolueerde de voorbije aar decennia tot vrijemarktsamenleving. Dit is een samenleving waarin ook sectoren die klassiek niet tot de economie horen volgens de principes van de vrije markt worden georganiseerd, bijv. de post, de televisie, de radio…Sinds kort, verscheen de vrijemarktburger ten tonele, waarbij elk individu denkt en handelt ALS een vrije markt. De vrijemarktburger is niet de burger die op de beurs speculeert, maar wel het individu dat  zichzelf beschouwt  als een vrije markt. De mens en zijn leven als een innoverend, beursgenoteerd bedrijf: zelfs Andy Warhol kon het zo pervers niet bedenken.   

TWEE BELOFTES

Hoe gaat dat proces in zijn werk? Ondanks alle propaganda, stappen de meeste burgers niet zomaar in de arena van de vrije markt. Die staat namelijk een jungle-ideologie voor die botst met de roeping van de mens zelf, nl. cultuur puren uit natuur i.p.v. zich neer te leggen bij de natuurlijke staat der dingen (de jungle-samenleving wordt namelijk voorgesteld als ‘natuurlijk’ en dus als  ‘normaal’). Om volk in de arena te krijgen, worden daarom twee beloftes gedaan: individuele winst en individuele verdienste. We kunnen dit proces goed volgen  telkens wanneer het gedachtegoed van de vrije markt (versneld) wordt ingevoerd in regio’s en culturen (de “emerging economies”) die geen liberaal-kapitalistische geschiedenis kennen en dus des te harder moeten worden overtuigd.

BELOFTE 1: DE WINST

De eerste belofte garandeert individuele winst voor iedereen. In dit merkwaardige spel is van verlies geen sprake.  De vrije markt kan deze belofte slechts inlossen wanneer de groei (de “vooruitgang”) voldoende groot is, én continu én gegarandeerd. De immer wassende taart is niet enkel een fataliteit, de grootte van de taart wordt belangrijker dan de verdeling ervan. Al moest het een virtuele taart worden.  

De tweede belofte luidt dat iedereen dezelfde kans krijgt (niet: ‘heeft’) om die winst binnen te halen. Daartoe wordt het individu warm gemaakt voor de meritocratische  principes. Meritocratie betekent “naar verdienste”, meer bepaald: elkeen naar verdienste. Dat klinkt ‘democratisch’, maar is het niet. Meritocratie betekent niet loon naar werken, maar loon naar het resultaat. Meritocratie is een wedstrijd. Iedereen mag deelnemen en iedereen volgt hetzelfde parcours. Alleen verschijnt niet iedereen even voorbereid aan de start. Niet iedereen kent evengoed de spelregels. En vooral: er is maar één soort wedstrijd en die wordt gekozen en genormeerd door een elite die daardoor een enorme voorsprong opbouwt. Meritocratie is ook ongenadig. Wie verliest, heeft dat immers enkel en alleen aan zichzelf te danken. Het individu wordt dus “geresponsabiliseerd”. Solidariteit met de loser moet worden gezien als een gunst van de winnaar, geenszins als een recht van de verliezer.

OMMEKEER DER WAARDEN

Hoewel het dankzij die (loze) beloftes aardig druk is in de arena van de vrije markt, vormt het het spook van het mogelijke verlies een ernstige hinderpaal voor de grenzeloze uitbreiding ervan. Daarom wordt de vrije markt voorgesteld als een normaal systeem, het enige denkbare want- en nu komt het – het is de natuurlijke staat der dingen. En bijgevolg onveranderlijk. En bijgevolg hoeft er geen legitimatie bij. Om dàt ingeprent te krijgen, moet nog één stap worden gezet, de essentieelste van allemaal: de totale ommekeer der waarden. Het proces is vrij eenvoudig: de betwistbare, afkeurenswaardige tot ronduit onaanvaardbare kantjes van de mens, worden voorgesteld als deel van de realiteit, dus normaal, dus natuurlijk.

Dat gebeurt in twee fasen.

(1) Eerst worden in allerlei situaties de perverse kantjes van de mens opgevoerd. Dat zijn dan karaktertrekken die gewoonlijk worden geweerd, onderdrukt of verboden. In allerlei zg. “survival”programma’s op televisie (type De Mol, Big Brother) worden zowat alle waarden en normen beloond waarmee je geen samenleving kan opbouwen, zelfs geen eenvoudige relatie: achterdocht, individualisme, geldgewin, strijd, leugens en plat opportunisme. Som op wat elke ouder zijn kinderen verbiedt omdat het leven anders onmogelijk wordt en je vindt het terug als criterium van een populair spel op televisie.

(2) In een tweede fase, moeten deze verwerpelijke karaktertrekken tot norm worden verheven. Daartoe is de combinatie van spel en televisie uiterst geschikt. Door de verwerpelijke normen in een spel op te nemen, lijken ze onschuldig: het is ‘maar’ een spel. Toch is geen enkel normaal spel gebaseerd op perversiteit. Scheidsrechters zien er precies op toe dat afwijkend gedrag geen kans maakt of bestraft wordt. Door de televisie is de beïnvloeding massaal, snel (in real time) en gegarandeerd. Iedereen beschikt zo ook over een alibi voor onbetamelijk tot onaanvaardbaar gedrag: wat in het publiek zou worden afgekeurd, bijvoorbeeld voyeurisme en leedvermaak, wordt dankzij de televisie acceptabel. Wat hier ‘omkering der waarden’ heet, noemt de filosoof Paul Virilio  de “transgressie van de hoofdzonden die langzamerhand de norm wordt” (1).

Een eenvoudig voorbeeld om af te ronden: in Big Brother, Robinson en andere Loft Sory’s, wordt de essentie van de democratische samenleving op zijn kop gezet. In een democratische samenleving betekent stemmen normaliter kiezen voor, richting geven aan een gemeenschap. In Big Brother e.d. betekent stemmen het omgekeerde, iets negatiefs, nl. iemand weg-stemmen. De ‘kiezers’ geven hierdoor echter absoluut geen richting aan hun leefgemeenschap, want na de stemming zien ze wel hoe ze – elk voor zich – de volgende fase overleven.

DE NATUUR ALS "VOORBEELD"

De kers op de taart wordt geleverd door de leugenachtige voorstelling (zogezegd darwinistisch) als zou de natuur zelf ons tot lering strekken en het voorbeeld leveren. Afgunst, nijd, gulzigheid, agressiviteit, tweestrijd: dat zou de natuur zijn. Zo wordt duidelijk dat de vrije markt zich niet op de natuur inspireert, maar "de natuur" gebruikt als alibi. Wanneer men de oorzaak van alle dingen aan god of de natuur kan toewijzen, is het hek van de dam: de voorstanders hoeven niks te legitimeren en elke contestatie is een aantasting van de natuurlijke orde zelf en derhalve moreel onaanvaardbaar. Ideologisch rechtser is moeilijk denkbaar. Hopelijk hoeft het geen betoog dat de natuur ons op ethisch vlak volstrekt niets te vertellen heeft ons dus niet ter lering kan strekken.

De Franse politicus Jean-Pierre Chevènement oordeelt - blijkbaar in volle eenzaamheid -  dat “la règle offre un refuge à la faiblesse. Elle délivre de la jungle” (2).

VIVA LA MUERTE!

Ten tijde van de mobilisatie voor de Eerste Wereldoorlog, trokken jongens van simpele komaf met God aan hun zijde zingend naar het front, hierin aangemoedigd door jonge vrouwen die een lachende cortège vormden en met bloemen wierpen. Ze hadden het begrip “vaderlandsliefde” als norm geïnterioriseerd en stierven ervoor. Zolang wij met begrippen als “concurrentie” en “vrije markt”  als geïnterioriseerde basisnormen rondlopen – en ze zelfs kwistig exporteren – zal de kapitalistische wereld blijven zoals ze is: een baken van hoop voor wie zichzelf als beursgenoteerde “waarde” beschouwt.

NOTEN

(1) Paul Virilio: “Ce qui arrive”, Ed. Galilée, 2002 [p 45]: “(…) la société de consommation (…) avec ses ‘nouvelles’ valeurs que ne sont que les anciennes à l’envers, une mise en scène de la transgression des péchés capitaux (…) devenant progressivement les règles de conduite d’une époque inconsciente des règles qe’lle recèle”.

(2) Jean-Pierre Chevènement: “La République contre les bien-pensants”, Plon, 1999, p. 9.

++++++++++++